Voor je op send drukt
Voor je op
send
drukt

Mailboxen zitten overvol en in de journalistiek tikt de klok altijd snel, maar dat wil niet zeggen dat je verhaal er niet tussenuit kan springen. Zes dingen die je moet weten wanneer je de pers wil benaderen.
15 oktober 2026
6 minuten leestijd
1. Jouw wereldnieuws is dat van de journalist niet noodzakelijk
Journalisten bepalen, al dan niet in samenspraak met de redacties waarvoor ze werken, de journalistieke lijnen van hun werk. Artikels – of het nu interviews, trendsverhalen of reportages zijn – ontstaan vaak uit een mengeling van actuele aanleidingen, opgemerkte trends en soms gewoonweg omdat er terugkerende rubrieken zijn die ingevuld moeten worden. Gevolg van al die factoren is dat journalisten vaak een eigen invulling hebben van welke informatie volgens hen een artikel waard is. En dat kan best frustrerend zijn. Dat je radicaal van kleurenpalet veranderde en sindsdien een ander klantenbestand aanraakt, kan van groot belang voor jouw zaak zijn, maar niet noodzakelijk voor een journalist. Of niet noodzakelijk op dat moment. Maakt dat je verhaal minder waardevol? Helemaal niet. Wat voor de ene journalist niet ideaal is qua onderwerp, timing of zelfs locatie, kan dat voor iemand anders net wél zijn.
2. Weet wàt je aan wié vertellen wil
Daarom is het belangrijk om voorop te stellen wie je bereiken wil. Researchen dus! Trek de (internationale) dagbladhandel in of bezoek de bibliotheek – daar liggen vaak volledige jaarreeksen van interessante publicaties – en ga op zoek naar de titels waarin je je verhaal zou zien passen.
Zoek bij de verschillende titels uit welke formats er bestaan. Een knap beeld van een interieur kan onderdeel uitmaken van een inspiratiepagina, een beeldreeks kan de basis van een interieurreportage vormen, een recent toegepaste techniek kan zijn weg in een trendverhaal vinden, en misschien kan een indrukwekkend project wel een exclusieve publicatie opleveren. Maar dat kun je pas uitzoeken wanneer je weet bij wié je moet zijn. Goed om weten: pers – zowel magazines als kranten – werkt gewoonlijk volgens hiërarchische systemen: een hoofdredacteur staat bovenaan de publicatie en leidt divisies van ‘chefs’, journalisten met een specifiek vakgebied die op hun beurt vaak ook anderen aansturen. Gevolg is dat er binnen een publicatie vaak verschillende eerste contactpersonen kunnen zijn, en dat het soms (uit)zoeken is wie jouw beste ingang is. Waarlangs die zelden zal lopen, is de algemene inbox: daar gaan mails heen om een stille dood te sterven. Wie journalisten en medewerkers zoekt, kan terecht in artikels of in het colofon van de publicatie: e-mailadressen volgen er vaak een stramien van voornaam.achternaam@organisatie.achtervoegsel, al is dat niet altijd helemaal duidelijk. Maar ook dat hoeft geen obstakel te zijn: via het telefoonnummer in datzelfde colofon telefoneer je nog steeds naar algemene recepties, waar de kans op een correct mailadres toeneemt. Of je polst via iemands socials langs welke weg iemand het liefst wordt gecontacteerd.
3. Wees eerlijk
Met hun namen in de perslijsten van pr-bureaus hebben journalisten notoir veel e-mails te verteren. Die flow kan makkelijk tot meer dan honderd mails per dag oplopen. Daartussen val je niet op met marketingpraat; veel verfrissender is een échte mail: beknopt, persoonlijk, direct en zonder te veel tierlantijntjes. Laat platitudes als ‘uniek’, ‘iconisch’ en ‘revolutionair’ varen, tenzij dat ook écht het geval is. Journalisten zijn vaak allergisch voor holle marketing, al helemaal wanneer ze gaan vermoeden dat AI-prompts een tekst indrukwekkender moesten maken. Laat een AI-tool je tekst op spelling controleren, maar schrijf je mails en persberichten zelf, of laat het aan iemand anders over. Dat geldt ook voor wie telefoneert: eerlijkheid en natuurlijkheid werken ook daar het best.
4.Beeld is alles
Het heet dan wel ‘de geschreven pers’, maar wie design-, lifestyle- of modemagazines doorbladert, ontkomt niet aan de dominantie van sterk beeldmateriaal. Kwalitatief beeldmateriaal aanleveren is bijna altijd een pluspunt. Zowel de journalist als de artdirector die later de pagina zal vormgeven, kan een inhoudelijk interessant nieuwsartikel soms op het laatste moment weren. Een beeld dat kwalitatief niet voldoet – esthetisch dan wel technisch – vliegt er dan onverbiddelijk uit. Investeren in (een workshop) fotografie is daarom zelden een slecht idee. Een ‘atmosphere’-beeld lijkt vaak creatiever dan een droge ‘packshot’ waarin een product tegen een egale achtergrond werd afgebeeld, maar weet dat een te bepalend sfeerbeeld ook net de beslissende factor kan zijn om minder plaats te voorzien. Beide voorzien – mood image én packshot – is daarom altijd een goed idee.

5. Maak het mij zo makkelijk mogelijk
De kranten- en magazinewereld staat bol van deadlines én van mensen die niet noodzakelijk volgens een nine-to-five-urenschema werken. Je hebt geen controle over wanneer iemand jouw mail (her)bekijkt en hoe dicht die persoon op dat moment bij een gillend dwingende deadline is. Of iemand nu ruimschoots op tijd begint of vijf minuten voor de deadline nog snel je nieuws wil toevoegen aan bijvoorbeeld een nieuws- en trendsrubriek: zorg ervoor dat alles overzichtelijk beschikbaar is.
Sprak je met je fotograaf al af dat de beelden kostenvrij mogen worden gebruikt, zorg er dan voor dat ze lang beschikbaar zijn in hoge resolutie. SwissTransfer heeft grotere geldigheidsperiodes dan WeTransfer, en bij heel wat cloudservices (iCloud, Google Drive, OneDrive …) kun je een link genereren om beelden te delen. Dat beperkt frustraties en tijdsverlies door verlopen beeldmateriaal, én zo vermijd je het risico dat je omwille van een beeldlink alsnog last minute van een planning gegooid zou worden – het gebeurt!
Lever beelden voor printpublicaties altijd met een kwaliteitswaarde van minstens 225 dots per inch (dpi) aan, en stuur JPEG’s in plaats van TIFF’s. Vermeld beeldcredits – en mogelijk ook prijzen – niet alleen in je schrijven, maar ook in de bestandsnaam. En vergeet uiteraard je telefoonnummer niet.
6. Word zelf een beetje journalist
Het allerbelangrijkste gereedschap van journalisten is hun adressenboekje. Waardevolle contacten bouwen ze doorheen de tijd en dankzij hun geloofwaardigheid op. Niet elke gebeurtenis of elk contact resulteert rechtstreeks in een artikel. Wat zeg ik? Het is een kleine minderheid die daarin resulteert, maar op den duur ontdek je gaandeweg met wie je klikt, wie op jouw golflengte zit, wie je kunt contacteren wanneer je iets vertellen wil. Dat geldt zowel voor journalisten als voor hun contactpersonen. Of zulke connecties instant plaatsvinden? Zelden. Of dat uit veel trial and error bestaat? Zeker. En of dat op lange termijn de moeite waard is? Ik geloof van wel.
Tot slot
Uiteindelijk komt het allemaal hierop neer. Journalisten benaderen is geen hogere wiskunde, maar het is ook geen exacte wetenschap. Iedereen heeft andere voorkeuren, andere agenda’s en andere persoonlijkheden. Uiteindelijk zitten er aan de andere kant van de lijn, het scherm of de tafel ook mensen. Dat mee in rekening nemen, maakt al een heel verschil.








